160
Intusschen begon dokkie weer aardig op te knappen en het feit, dat dokter Bremer, die hem zeer sympathiek was geworden in die weken, hem van den drukkenden last zou ontheffen z’n praktijk verder waar te nemen, gaf hem rust en deed hem gauwer nog herstellen.
Op een middag, dat maatje bij hem zat en juist een kop bouillon voor hem klaar had gemaakt, kwam hij opeens met een lang overdacht plan voor den dag.
„Mevrouw maatje, hoor nu eens. Ik heb iets in m’n bol, dat ik noodwendig met je moet bepraten. En zeg nu maar eerlijk, of je iets voelt voor m’n plan. Ik ben niks boos als je zegt, dat ik een ouwe zwamneus ben.”
Maatje schoot in een lach.
„Ik val maar met de deur in huis,” ging hij voort. „Wat zou u er van zeggen, om met uw man bij me te komen inwonen, nu u toch voor goed hier blijft? U kunt uw moederlijke zorgen dan over twee invalide baby’s verdeelen.”
„Ja, daar overvalt u me zoo mee. Ik moet er eens goed over nadenken en het met m’n man en Corry bepraten.”
„Dus u is er in principe niet tegen?” vroeg hij en ze zag in de goede oogen zóó ’n honger naar wat blijvende gezelligheid, dat ze hem gauw geruststelde met:
„Ik ben er vlak voor, meneer dokkie!”
Corry had het dè oplossing gevonden en haar vader, die het best met dokkie kon vinden, was direct enthousiast.
„En jij, mereltje, wat zeg jij er van?” had