159
In de andere kamer kon men een speld hooren vallen.
Dokter Bremer’s spel was ook niet gewoon te noemen, het was bepaald virtuoos en naast een molligen aanslag, had hij een perfecte voordracht.
„Wat is dat beeldend!” zei Corry. „Hoe kleuren-rijk! Dokter, speel toch nog iets voor ons. ’t Is een genot om naar u te luisteren.”
Als hij eenmaal aan de piano zat, was hij er heelemaal in, vergat hij z’n omgeving en speelde het een na het ander.
„Wil ik u nu iets heel moderns laten hooren?” vroeg hij en toen z’n klein auditorium aandrong ook dit te hooren, zette hij zich weer neer en speelde de „Rhapsody in Blue,” zooals hij die gehoord had van „Paul Whiteman and his orchester.”
„Wat een vreemd ding,” vond Lodewijk. „Ik snap er geen cent van en kan het niet mooi vinden.”
„Ik wel,” zei Corry. „’t Is vreemd, dat is waar, maar er zit iets in, dat me machtig aantrekt. Ik geloof, als ik het vaak hoor, dat ik er van ga houden.”
Dokter Bremer werd een trouwe en graag geziene gast in den huize Martens en toen hij vertelde, dat hij op aandringen van dokkie en na lange besprekingen met hem, besloten was diens praktijk over te nemen, ging er in „de Brem” een hoera’tje op en beloofden ze op tijd ziek te worden, om zich door hem te laten cureeren.
„Maar eerst neemt u m’n vadertje onder handen,” zei Corry. „Die bevalt me niets en ik zou heel graag hebben, dat u hem grondig onderzocht.”