157
ting in „de Brem.”
Hij was direct ingeburgerd, had hetzelfde gemak om met menschen om te gaan en zich thuis te voelen, als Corry.
„Wat een in-gezellig huis,” prees hij. „Sinds lange jaren heb ik niet zóó’n cosey huis gezien. Al die moderne binnen-architectuur is toch niet je dat. Het oude spreekt veel meer tot je, het heeft een geschiedenis.”
„Gossie, dat had ik nou heelemaal niet van u gedacht,” flapte Corry er uit. „U lijkt me zoo’n hyper-modern type.”
„Nou ja, ik ben niet tegen al het moderne van dezen tijd, maar als ik ooit een eigen huis zou hebben, dan zou het al te moderne er streng geweerd worden.”
„Net als bij ons, hè Lootje,” zei Corry. „Onze Perelaer wordt één brok antiek! Ik struin overal rond om kabinetten, haverkisten en turf-dito’s op te duikelen.”
„Ik hoorde al bij de vrouw van boer Jansen van de nieuwe bewoners van de plaats. U staat best aangeschreven, juffrouw van den Bergh.”
„Ik heb ook ettelijke kopjes roetzwarte koffie bij d’r naar binnen gewerkt,” lachte Corry, „en ik heb het jonge „vullen” gezien en de „puuletjes,” maar dat mooie, ouwe hoekkastje, waar ik op reflecteer wil ze me lauw verkoopen. Komt u eens naar ons huis kijken, als u weer bij boer Jansen is.” „Graag! ik heb er al wonderen van gehoord.” „En al die wonderen heeft m’n schoonzusje verricht,” zei Corry dankbaar. „Ik heb maar rond-geloopen en den boel verschoven.”