156
Ik ging in een trui m’n menschjes opzoeken.”
„U krijgt weer praats,” zei Mary. „Gisteren was u veel tammer. ”
„Ze wil de aandacht van je afleiden, Bremer!” Maar met al z’n grapjes voelde dokkie zich toch lang niet prettig en al gauw keerde hij zich om en dommelde weer in.
„Komt u eens bij ons binnen loopen?” vroeg Mary, toen dokter Bremer weg ging om patiënten te gaan bezoeken.
„Dolgraag, juffrouw Martens. Ik ben het stadsleven gewend en de avonden hier zullen me wel lang vallen.”
„U komt maar wanneer u tijd hebt, er is altijd wel iemand in „de Brem” om u gezelschap te1 houden.”
Dien middag, aan tafel, zei Corry:
„Zeg, merel, ik geloof, dat ik den nieuwen dorps-esculaap zag.”
„Hoe weet je dan, dat hij ’t was?” vroeg Lodewijk.
„Hij zag er zoo steedsch uit! Reuze sjijk! en ’n plug!”
„Wat is ’n plug?”
„Tja, hoe zal ik je dat nou uitleggen? Ken je den man van de Stetson-reclame? Dat is nou ’n plug!”
„O, dus ’n beetje verwijfd type.”
„Och, loop heen! heelemaal niet verwijfd! ’n gezellig, mondain type, ’n plug, daarmee is alles gezegd.”
De nieuwe dokter liet er geen gras over groeien en maakte reeds den volgenden avond z’n opwach