155
deel in je huishouden te nemen, anders voel ik me zoo’n nietsnut.”
„U is een schat!” zei Mary blij. „Maar hoe zit ’t dan met de schrijverij? Ik voel me heusch bezwaard.”
„Dat doe ik als ik dokkie gezelschap houd, die mag toch niet veel praten. En Corry moet dan haar vader vertroetelen.”
Het was alles zoo uitstekend geregeld en dokkie voelde zich als een koning. Maatje had stormenderhand z’n hart ingenomen.
„Ik ben van plan jaren ziek te blijven,” lachte hij.
Reeds den volgenden dag kwam zijn plaatsvervanger, een jong medicus, die gaarne praktijk waarnam, zoolang hij zich nog niet gevestigd had.
„Wat zullen m’n patiënten oogen opzetten, als ze jou zien, collega!” spotte dokkie, toen keurig gekleed, met ’n beetje mondain tintje, de jonge dokter voor z’n bed stond en het patiënten-lijstje van hem over nam.
„Wat bedoelt u hiermee?”
„Vraag dat maar eens aan Mary,” zei ondeugend dokkie.
„Juffrouw Martens, waarom zullen de patiënten verbaasd zijn, als ze mij zien?”
Mary keek ’n beetje boos naar dokkie.
„Zeg ’t maar, kind,” moedigde die haar aan.
„Nu,” Mary haperde even, „u ziet er erg verzorgd uit, zoo echt iemand die veel om z’n kleeren geeft en dokkie zag er héél slordig uit. Het verschil zal ze wel opvallen.”
„Tja,” plaagde dokkie, „jij bent ’n echte dandy!