148
Het gaf haar een wondere sensatie.
„Dat moet ik vasthouden,” mompelde ze.
Lodewijk, die niet wist wat ze bedoelde, vroeg:
„Ben je duizelig?”
Waarop Corry het uitschaterde.
„Ik bedoel dien indruk, daar ga ik een pastel van maken.”
Toen weer overslaande, was het:
„Ik ben zoo rillerig, ik geloof, dat ik de koude-kippetjes-koorts heb! ’t Is me ook wat, om daar ineens die twee lieverds weer te zullen zien!”
Ze kwamen nu op de kade waar de boot lag.
Over de railing keken al passagiers, in warme mantels gehuld.
„Ik geloof waarachtig, dat ik maatje zie! Ma-a-a-atje!” brulde Corry.
„Corry!” riep een stem terug en een witte doek wuifde.
Mary en Lodewijk bleven wat achter, toen Corry de treeplank opholde en bijna ruzie kreeg met den officier, die haar kaart vroeg.
Regelrecht in vader’s armen vloog ze en toen in die van maatje.
En zoozeer ontroerd waren ze alle drie, dat even de twee anderen vergeten werden.
Maar al gauw vroeg vader:
„En waar is Lodewijk nu? Hij is toch wel meegekomen?”
„O, schandelijk!” schrok Corry. „Waar zijn ze? O, engelen, kom hier!” en ze trok ze mee.
De boot zette de reis naar Amsterdam voort.
In den salon, waar het warm en licht was, zaten ze bijeen. Corry, heel dicht naast vader, haar hand