147
ademhaling hoorde.
Tegen half vijf in den morgen ’t was pik-don-ker, hoorde Mary een langgerekt toe-oe-oet!
„De boot!” schrok ze.
„Corry! Corry! de boot is er! ik hoor ’m toeteren!”
Corry, slaperig, mompelde:
„De boot? Wat voor boot?”
Drie harde kloppen op de kamerdeur maakten haar eindelijk wakker.
„Ik dacht, dat je niet slapen kon van agitatie,” plaagde Mary.
In een wip waren ze in de kleeren en holden ze naar beneden, waar ze Lodewijk al in de eetkamer vonden.
„Eerst wat eten, kinderen! We mogen toch nog niet aan boord.”
„Ik kan geen brok door m’n keel krijgen,” zuchtte Corry.
Slaperige heeren en dames, allen menschen, die familieleden kwamen halen, verzamelden zich om het ontbijt.
„Typisch, zoo’n matineuse bik;” vond Corry en ze liet zich de broodjes toch maar best smaken.
Toen ging het in optocht door een plenzenden regen, langs IJmuiden’s straten naar de boot toe.
„O, wat mysterieus,” zei Corry. „Kijk eens hoe mooi, die glinsterende, natte keien en die men-schen-stoet daar voor ons uit! En o, kijk toch eens!”
In de verte zagen ze de boot liggen, met alle tintelende lichtjes in het donker, als een nachtelijke illuminatie, die de groote boot in strakke lijn zette.
10*