146
Parijsche vrienden en een knal-fuif, waarbij maïtre Brulot aanwezig was, kwam nu voor goed naar Holland terug en zou met haar ouders, die ze met Lodewijk af ging halen, op de Bessencroft komen logeeren.
Mary, practisch als altijd, had het dienstmeisje, dat bij Corry zou komen, reeds in dienst genomen, niet alleen, om haar door de overgroote drukte heen te helpen, maar meer nog, om het meisje af te richten voor het jonge huishouden, want Mary vreesde, dat de jonge mevrouw zich meer aan de kunst, dat aan het huishouden zou wijden.
Corry vond alles best, beweerde honderdmaal per dag, dat Mary haar goede engel was en ging alleen maar naar de Perelaer om de meubels, de heele inrichting zoo te schikken als met haar artistieken zin overeen kwam.
Toen brak de dag aan, dat de boot waarmee Corry’s ouders onderweg waren, zou arriveeren en nu kende haar opwinding geen grenzen meer.
Er was besloten, dat ze met Mary en Lodewijk den avond tevoren naar IJmuiden zou gaan, om bijtijds aan de boot te kunnen zijn.
„Ik doe vannacht geen oog dicht!” zei ze tegen Mary, toen ze op de hotelkamer waren.
„We worden toch gewekt als de boot er is en dan hebben we nog allen tijd om ons aan te kleeden en te ontbijten, ga dus maar rustig slapen,” ried Mary haar aan.
„Ik kan niet, ik ben veel te geagiteerd,” en Corry gooide zich om en om in bed.
Maar tien minuten later sliep ze als een roos en Mary moest lachen toen ze haar regelmatige