145
Er hielp geen praten tegen. Corry bleef Op haar stuk staan, géén bruidsjapon en geen „hevige bruiloft.”
„Walti,” zei Mary ’s avonds, toen ze alleen met haar jongste broer in de huiskamer zat.
„Stort je hart maar uit, mereltje! Ik voel, dat er een zondvloed op komst is.”
„Malle! Neen, maar hoor eens. Ik vrees, dat Lodewijk tè toegevend is, hij vindt nu gewoon alles goed, wat Corry wil. Waar moet dat heen?” „Wie was er vanmiddag bij je?”
„Wat heeft dat er nu mee te maken?”
„Ik herhaal m’n vraag: „Wie was er vanmiddag bij je?”
„Och zeurpot, Jannie was hier eventjes.”
„Merel, ik denk psychiater te worden. Mijn diagnoses op zielkundig gebied zijn overbluffend.” „Wat wil je daar nu allemaal mee zeggen?” „Niets anders, dan dat jij in no time te beïnvloeden bent. Jannie, die, daar blijf ik bij, stapel op Lodevicus is en heviglijk jaloersch van ’t Corre-kind, heeft jou lekker in het harnas gejaagd en jij hebt je weer eens netjes laten voeren!”
Mary was geslagen, want Jannie had vele spel-deprikken gegeven en gevonden, dat Corry excentriek en Lodewijk te slap was.
„Nu, de tijd zal leeren, wie gelijk had,” zuchtte
ze.
„Juistement, piekerbol!”
Het was begin Augustus en de Perelaer was gereed om het jonge geluk, dat binnen haar muren zou komen, te ontvangen.
Corry, na een hartroerend afscheid van alle
In het Gareel. 10