142
ze ’t alweer vergeten en liep ze langs de andere trap naar beneden en ging ze den tuin in.
„Wat zal het hier een weelde zijn, in ’t voorjaar, als al die vruchtboomen in bloei staan,” dacht ze, toen ze door den moestuin liep.
„Corry dan toch!” riep ’n beetje ongeduldig Mary, die haar in den tuin zag ronddolen.
„Komen jullie liever hier, engelen!” gilde ze terug. „Er is hier een comédieput in de pergola!” Lodewijk lachte.
„Laten we maar geen moeite meer doen, ze is zóó in verrukking, er is niets met haar te beginnen. Ik wist het wel, het huis en de heele omgeving is als geschapen voor haar.”
In de vier dagen, die Corry nog bij ze bleef, toog ze iederen dag naar de Perelaer en ze verklaarde bij haar vertrek, dat ze er dit jaar nog in ging wonen, al kwam de onderste steen boven.
Er werd afgesproken, dat Corry, zoodra het telegrafisch antwoord er was, over zou komen en de verloving dan publiek zou worden gemaakt.
„Toch geen pootjes-geef en opzit-receptie, hè, Lootje?” vleide ze. „Daar kan m’n maag niet tegen!”
„Daar kun jullie niet van af,” vond Mary. „Het is hier zoo de gewoonte.”
„Dan breken we hiermee,” besliste Corry. „Ze zullen, als ik hier woon, wel eens meer raar opkijken van oude tradities waar ik mee breek.”
„O, Corry, alsjeblieft niet,” smeekte Mary. „Ga in ’s hemelsnaam niet artiestiekerig doen!”
Corry glom van pret.
„Die merel! Zoo heerlijk kun je haar voeren,”