140
„Hoe moet het ooit weer goed komen?”
Maar Corry was zóó enthousiast, ze wilde niet hooren van bezwaren, alles zou wel goed komen. Naar het hoe vroeg ze niet.
Ze rende den tuin in en deed allerlei ontdekkingen.
„Er is een tuinhuis, heelemaal omgeven met rhododendroms! Daar ga ik schilderen!”
„Hou me vast!” schaterde Walter. „Er is geen plek, waar ze niet gaat schilderen!”
„Alweer een schuur!” ontdekte Mary. „En alles ligt vol met uitgeknepen tubes. Hier... heeft hij geschilderd!”
„Nogal geen wonder!” zei Corry. „Kijk eens eventjes de kleur van die oude schuur! Ik moet een geit hebben en een koolveldje! Ik word dol van al die weelde hier! Wat zou maïtre Brulot hier wel van zeggen!”
„Zou je nu niet eens naar de keuken gaan kijken, jou opgewonden standje?” vroeg Lodewijk. „Ik moet jou af en toe wel tot de werkelijkheid terug voeren.”
De keuken deed Mary watertanden. Groot, licht, met een vloer van zwart en witte tegels en heerlijke kasten.
„Er is ook nog een bij-keuken,” zei Lodewijk, en hij deed een deur open.
Corry gaf een kreet.
„Je reinste Vermeer! Kijk toch eens!”
Ze wees naar de pomp met koperen zwengel, die vlak voor een klein raampje stond, waar men net nog een stukje tuin door zag.
„Daar gaat ze schilderen!” zei Lodewijk voor