138
Een goedig uitziende vrouw kwam naar hen toe. „Gedaag samen!” zei ze vriendelijk. „Bin da nou de nieuwe mense vaan de Plaas?”
„Dat hopen we tenminste, vrouw Krans.”
„A’k je mè ’t een of aander vaan dienst kaan zijn, dan hè-je maar te kikken, hoor! Me ben in de wereld om mekaander te helpe.”
„Zeer goede principes,” zei zacht Walter.
Nu wandelde het viertal den tuin in.
„O! wat een eenig huis!” riep Corry, toen ze door het groen een vaal-wit huis zag schemeren, geheel begroeid met kale wingerd en glycine ranken.
„’t Is een sprookjeshuis!” zei ze opgetogen. „En kijk eens, een groote serre en een eendenvijver voor het huis en o! al die gezellige ramen met luikjes en voor! Merel, kijk toch eens! halve deurtjes en een klopper op de huisdeur! O, kinderen, wat een ideaalhuis! Merel, je zegt niets! Hoe vin-je het wel?”
„’t Ziet er zoo vreeselijk vervallen uit,” zei Mary zacht.
„Och, wat geeft dat nou, schat! ’t Is toch zoo bijzonder, zoo heelemaal niet naar het gewone shablone model! O, nu weet ik het! Buiten Parijs zie je dergelijke verscholen landhuizen!”
„Naar dat model heeft hij het ook ontworpen,” zei Lodewijk. „Hij had buiten Parijs zoo’n woning.” „Toe Lokie, maak de deur open! Ik sterf van verlangen om het van binnen te zien.”
„O, wat is het hier donker!”
„Nogal wiedes! de luiken zijn er voor,” zei Walter en hij ging naar buiten om de luiken los te