137
tocht om er te komen.”
„Hier begint het terrein van de Perelaer,” zei Lodewijk, wijzend op een groene, ongeschoren haag, waardoor ze een waar bosch zagen schemeren.
„En door dit groote witte hek reden we naar binnen, als we bij de Evertsen te gast gingen.” „Hoe sjijk!” lachte Corry. „Me oprijlaan! vlak ’t niet uit!”
„Ze voelt zich al heelemaal de vrouwe van de plaats!” plaagde Lodewijk haar en hij drukte zacht haar arm.
„Waarom gaan we het hek niet in?” vroeg Mary. „Omdat er een eind verder nog een hek is, dat direct naar het huis voert.”
„Zeg, wat heb jij een glanzend geheugen, Lode-viek! Dat komt me een beetje verdacht voor,” vond Walter.
„Nou, als je ’t dan weten wil, schalmei, ik heb hier ’n paar dagen geleden al eens rond geneusd. Ik ben aan den achterkant over het prikkeldraad gesprongen, haalde me een scheur in m’n panta-lonica, die ik arglistiglijk voor Mary verborg. Nu weet je, hoe ik aan m’n kennis omtrent de ligging van de Perelaersche woonstee kom.”
„Of ie ook zeker van z’n zaak was!” lachte Corry en ze kneep hem onbarmhartig in z’n oor.
„Ai! gemeenerd! dat zal ik je afleeren!”
„Denk er aan! je hebt het jawoord nog niet!” dreigde ze.
„Ha! daar is hek n° twee al!” riep Walter. „In naam van Oranje, doe open de poort!”
„Brul toch niet zoo! Daar heb je waarachtig vrouw Krans al.”