136
„Lodevicus, waar zit je kop tegenwoordig!” berispte Walter. „Ik ga m’n aandeelen in de zaak verkoopen. Dat wordt knudde avec la porte fermée met jou!”
Hup! Lodewijk was al weg in de two-seater en kwam even daarna zegevierend met den sleutelbos terug.
„De Evertsen zitten in Spanje,” vertelde hij. „Ik moest de sleutels bij vrouw Krans halen. Die brave ziel zal blij zijn als „de plaats,” zooals ze fiier „de Perelaer” noemen, weer bewoond is.”
„Zeg lui, als de toestemming van Correltjes pipa nou eres niet komt, wat doen jullie dan?” vroeg Walter.
„Aan die mogelijkheid hebben we heelendal niet gedacht,” lachte Corry.
„We huren ’t niet, voor het „ja” er is,” zei Lodewijk. „Maar laten we nu maar eerst zien, of het bewoonbaar te maken is. ’t Heeft acht jaar leeg gestaan, omdat Evertsen er geen menschen in wil hebben, die het huis, dat hij ontwierp en waarvan hij zooveel houdt, gaan moderniseeren.”
„Waarom woont hij er eigenlijk zelf niet meer in?” vroeg Corry.
„Omdat z’n vrouw ’t daar te stil vond. Misschien vindt jij dat ook wel, Correkind. ’t Ligt heel afgelegen en midden in een onafzienbaren tuin.”
„Corry, schrok je kadet niet zoo naar binnen,” plaagde Walter haar. „De Perelaer loopt niet weg!”
„Gommenikkie!” riep Corry, toen ze dien middag, langs laantjes en paadjes eindelijk kwamen waar ze zijn moesten. „Hier zuilen we niet veel last van sivite hebben, ’t is een ware pelgrims