135
„Dat noem ik mannentaal!” zei goedkeurend Walter.
„En ga je nu toch morgen weg?” vroeg Mary.
„Neen, dat zou tè erg zijn,” zei Corry. „Ik blijf nog ’n dag of vier, maïtre Brulot moet me de zonde maar vergeven. Maar dan ga ik ook onherroepelijk.”
„En weet je wat we Zondag gaan doen, merel-tje?” vroeg Lodewijk. „Zondag gaan we naar het huis waar Evertsen de schilder gewoond heeft en als het naar Corry’s zin is, dan gaan we daar tegen het einde van den zomer wonen.”
„In „de Perelaer”? Maar dat heeft zoolang onbewoond gestaan! ’t is er een woestenij!”...
„Laten we ’t maar eerst eens gaan zien. Ik denk,
dat ’t heelemaal naar Corry’s hart zal zijn. Ik
herinner ’t me nog, van toen de Evertsen er in woonden, ’t Was er een waar dorado.”
„En waarom blijven jullie niet in onze mooie Brem?” Mary vroeg het met iets als verwijt in haar stem.
„Er is geen geschikt atelier voor Correkind,” zei Lodewijk en ’t leek Mary even of er spijt in zijn stem was.
De Zondag brak aan.
Een stralende, zonnige dag, met bijna al een
voorjaarstintje.
„Merel! schiet op! we gaan er direct na de
koffie heen,” drong Corry aan. „O, ik ben zóó benieuwd het huis te zien.”
„Heb jullie de sleutels al gevraagd?” vroeg de altijd bedachtzame Mary.
„Neen, glad vergeten!”