133
„Allicht! ’t Zou er raar uitzien, als jij niet bang was. Willen we wedden dat ze als „een stel” terug komen?”
„Ja, waar om?”
„Om ’n doos bonbons als jij ’t wint en een doos Abdullah’s als ik win.”
„Top!”
„’t Kan nog een Fransch half uurtje duren, eer ze komen! Lodevicus zal niet zoo heel gemakkelijk van stapel loopen!”
„Walti.”
„Merel?”
„Wat zal ’t hier stil worden, als Lo trouwt.” „’t Is nog zoo ver niet. Misschien bliiven ze dan wel hier wonen.”
„Dan moeten wij er uit. Want, ik zou ’t vreese-lijk vinden, om bij een getrouwd paar in te wonen.” „Ik ook! Dan trekken wij samen naar Amsterdam. Veel prettiger voor me, dat ik niet heen en weer hoef te reizen. En dan ga je ’t daar maar gezellig maken.”
„Vreeselijk, om in stad te wonen. Ik zou ’t niet kunnen.”
„Och, alles went.”
„Wat moeten we doen, als ze daar binnen komen?” „Net doen of onze neus bloedt.”
„Hè, flauwerd!”
„Weer niet goed! Wat zijn jullie vrouwen toch moeilijk! Of ik nooit thee krijg!”
„Laten we maar even wachten met thee drinken.”
„Bê je mal! Lodevicus kan wel tot elf uur met z’n declaratie wachten en ik sterf van dorst!”