130
„Och, Jannie is ’n beetje eenzelvige natuur. Ze sluit zich niet gauw aan. Ik geloof, dat zij en ik daarom zoo bevriend met elkaar zijn. Ik ben ook wel zoo.”
„Jij? je bent de liefste, zachtste schat, die er op twee beenen door dit aardsche tranendal kuiert. En o, merel, je bent zóó veranderd. Voel je ’t zelf niet?”
„Ja,” zei ze blij, „ik voel het zelf ook. En weet je aan wie ik dat te danken heb? Aan jou.”
„Aan mij?”
„Ja. Je weet niet half, hoe jouw onbevangen manieren, je vroolijke, gezellige natuur me geholpen hebben. Ik heb nog nooit met een meisje zoo-als jij bent omgegaan. Wij meisjes uit een kleine plaats zijn nu eenmaal ’n beetje stijver en we voelen ons bij anderen zoo harkerig. Maar jij, fijne robbedoes, je hebt heusch wonderen aan me gedaan, ik voel ’t zelf. O, ik wou, dat je altijd bij me was!”
„Ik wou ’t ook, mereltje. Maar zie je, m’n werk! Ik moet nog een tijdje in Parijs blijven, al is ’t nog maar ’n half jaartje. Juist deze lessen, bij maitre Brulot, zijn zoo onmisbaar voor me.”
„Zou je heusch anders wel hier willen komen?” peilde Mary.
„Nou, ik zal ’t je maar eerlijk opbiechten. Ik heb Maatje gevraagd of ze vader wil opwarmen om me een zomer en najaar hier te laten zitten. Dan huur ik een kamer met atelier en kom al m’n vrijen tijd bij jullie. Nou, hoe is ie?”
„Gewoon eenig!” juichte Mary. „O, Correkind, wat een pracht-idee van je. En denk je, dat je