128
„Slaap je al?” ’t Was Lodewijk die het vroeg.
„Neen, kom maar binnen.”
Op den rand van haar bed ging hij zitten, net als eenige jaren terug, toen ze vaak niet in kon slapen en hij haar hoorde snikken.
„Mereltje, ik kom je even m’n Kerstgeschenk brengen.”
„En je hebt me die prachtige doos postpapier gegeven.”
„Nou ja, maar dit is iets als herinnering aan dezen onvergetelijken avond. Je hebt alles zoo keurig in orde gemaakt en ’t was zóó warm en fijn, deze eerste Kerstviering na...”
Ze drukte haar wang even tegen z’n schouder.
„Hier, merel, ik hoop, dat je het met pleizier zult dragen en ik hoop ook, dat het een dubbele herinnering zal zijn.”
Ze nam het klein étui van hem aan en opende het.
Een dun platina kettinkje, waaraan een hanger met een kleinen briljant er in, lag op het witte fluweel.
„Lo!” stamelde ze, „dat is nu toch heusch tè erg!”
„Ben je er blij mee?”
„Dol, dolblij!”
„Dan is het goed.”
Hij gaf haar een hartelijken kus en ging weg.
„Een dubbele herinnering,” peinsde stil-blij Mary. „Zou ’t? O, ik hoop ’t zoo! Hij is zoo dol op haar en ze is zoo heel, heel lief.”