127
Want voor haar, in alle schittering van dien blijden zonnedag lag daar het Canal met de fleurige bootjes op het zacht-rimpelende water.
„Versailles!” zei Lodewijk zacht. „Wat is dat mooi!”
En dokkie, z’n bril op het voorhoofd geschoven, keek met kennersblikken.
„Dat is een subliem doekje, mekind! Tsjonge, jonge, wat is dat goed!”
Corry was in de wolken, want al had ze het schilderij met groote liefde gemaakt, al hadmaïtre Brulot haar met een klap op d’r schouder z’n goedkeuring te kennen gegeven, de blijdschap van het drietal waar ze zooveel van was gaan houden, de bewondering van dien lieven, goeden dokkie, gaven haar de grootste voldoening.
„Dè’s geweldig knep!” zei, de monocle in het oog gedrukt, Hans. „Maekt u ook wel eens pastels?”
„Ook wel eens, maar liever nog caricaturen. Komt u eens voor me poseeren?”
„Die ’s raak!” schaterde Henk, die ’t best vond, dat het aanstellerig kereltje eens op z’n nummer werd gezet.
Maar Hans was in het minst niet beleedigd.
„Charmant type! Ik vraeg ze ven de week ’n aevond mee naar de Gaité!”
„O, ik denk, dat ze direct mee gaat!” spotte Henk.
„Jij kent de vrouwen niet, kaerel! Laet det maer aen mij over.”
„Kwast!” zei Henk zacht tegen Els.
Dien avond, toen Mary al in bed lag, werd er op haar deur geklopt.