125
„O, wat is dat echt Els!” schaterde Mary. „Verander jij dan nooit?”
„Ik ben heusch vreeselijk huishoudelijk,” zei overtuigend Els. „Zélfs m’n gestrenge Madra is tevreden over me. Ze komt iedere week inspec-teeren of de boel nog niet herschapen is in de sla-herrie van m’n meisjeskamer.”
„En hoe red je je met koken?” informeerde Dolly de Geer, die samen met haar een kook-cursus had gevolgd. „Breng je er iets van terecht?”
„Hè, wat heb jullie toch weinig verwachtingen van me,” zei Els, quasi beleedigd. „Ik kook formidabel! m’n Kamper maagd, die er geen klep van kan, is gewoon perplex van m’n kokerel.”
„En als je nu iets niet weet?” vroeg bedachtzame Mary.
„Nou, dan schel ik de Madra op. Ik heb toch telefoon!”
„O, ben je daarom zoo vaak in gesprek!” plaagde Elly de Geer. „Wanneer je ook bij Els opbelt, altijd krijg je toe, toe, toet!”
„Jullie bent ellendelaren!” zei verontwaardigd Els. „En om jullie van het tegendeel te overtuigen, stel ik je voor een dezer dagen zoo als jullie daar zitten bij ons te komen bikken.”
„Willen we dat dan op morgen stellen?” sloeg dokkie voor. „We hebben vandaag tenminste flink wat naar binnen gekregen!”
„Dok! Slechtaard!” Els dreigde hem met de vuist. „Pas op, hoor! Ik word ziek om je te straffen en dan laat ik je halen, net als je bezig bent je geliefde cactussen te verpotten.”
„Menschen,” zei Mary, na de mokka met een