124
even ’n kneep in haar wang. „Pas nu op dat je niet weer blijft haken.”
„Neen, schat!” ze keek even naar hem op met iets onzegbaar liefs in de groote donkere oogen en dan, deemoedig, zei ze: ,„Henkie ...”
„Ja, nest?”
„Ik heb alwéér twee vlekken op me mooie jurk!”
Het was van overgroote bekendheid, hoe Els' japonnen in den kortst mogelijken tijd in landkaarten waren herschapen en Henk, die de ordelijkheid zelf was, vocht zoolang hij haar kende, tegen haar verregaande nonchalance.
Maar nu schoot hij toch in den lach om haar berouwvol gezichtje.
„Zeg, Henk!” riep Walter van het andere eind van de tafel, „hoeveel maal heb je al aangebrand eten gehad?”
„Pas eenmaal!” antwoordde het jonge vrouwtje voor haar man, „en dat was nog z’n eigen schuld.” „Hoezoo?”
„Nou, hij stuurde me van kantoor een nieuw boek, dat hij al een tijd geleden voor me besteld had.”
„O, ja!” schaterde Walter, „dan begrijp ik er alles van. Ik zie je in gedachte op den divan zitten, je beenen onder je opgetrokken.”
„In dit geval was het nog erger,” verklapte haar man. „Je weet, hoe een kou-kleum ze is! Nu, de dame was met het boek boven op den haard gaan zitten. Ze las door, tot ze voelde, dat ze ’t toch wel èrg warm kreeg! Toen ze er af hipte was er al een gat in haar japon gebrand.”