122
meesleepende vroolijkheid verwaarloosd had en hij begon een gesprek met haar over het maatschappelijk werk, dat ze deed.
„En, heb je nog altijd je verschillende clubs thuis?” vroeg hij belangstellend.
„Ja,” zei ze, wat flauwtjes.
„Gepikeerd!” dacht hij.
En het goed willende maken vroeg hij:
„We gaan de volgende week met Corry naar Amsterdam, een mooie comedie zien of zoo. Mogen we het genoegen hebben, dat je mee gaat?”
Een fijn rood overtoog het blanke, hooghartige kopje.”
„Dank je, Lodewijk, ik heb al m’n avonden verzegd.”
„Dat jokt ze,” dacht ie, ’n beetje in z’n wiek geschoten, „ik moet eens even te weten komen, waarom ze zoo erg uit d’r hum is.”
„Kom dan eens ’n middag bij de meisjes. Mary klaagde er ook al over, dat ze je zoo weinig ziet.”
„Nu, ze heeft tegenwoordig gezelschap genoeg,” vloog ze er in.
„Ai! knelt de schoen daar!” dacht hij.
„Je hebt Corry nog zoo weinig leeren kennen,” peilde hij door.
„Ze is niet mijn genre!” ’t Kwam er zóó hooghartig uit, dat Lodewijk, doodelijk beleedigd, zich van haar afwendde.
Henk Kaanter, die de gewoonte had aan twee kanten te luisteren, had het gesprek gevolgd.
„Dat wordt hommeles tusschen die twee,” dacht hij en met het combinatie-vermogen, dat mannen hebben, die veel onder jongelui verkeeren, stelde