120
„O, hoe beeldig!” riep ze, toen ze de eetkamer betraden, waar inplaats van de groote lamp, nu een antieke kaarsenkroon hing, waar omheen zich hulst slingerde.
Op tafel, tusschen het zilver en kristal, kandelaars met kaarsen, op kasten en schoorsteen, overal kaars-verlichting.
En de tafelversiering van roode anjers en teer groen.
„O, kijk eens in de andere kamer!” riep Corry.
Daar stond, in den schijn van wel honderde kaarsen, de Kerstboom, die bijna tot het plafond reikte en waar geen andere kleur in was, dan wit en zilver.
„Hoe stemmingsvol,” zei Corry zacht tegen Lodewijk.
Er was maar één roep over al dit feestelijke en Mary werd danig in de hoogte gestoken.
Dokkie, die naast haar zat, drukte even heel hartelijk haar hand.
„Kind,” fluisterde hij, met iets schors in z’n stem, „’t is weer net als vroeger. Je hebt er goed aan gedaan.”
Dit was Mary’s hoogste lof.
Er heerschte een zeer geanimeerde stemming aan tafel en er haperde niets. De meisjes dienden ge-ruischloos en het menu liet niets te wenschen over.
Corry was het middenpunt. Haar lach klaterde over tafel en Lodewijk werd meegesleept door haar uitbundige vroolijkheid.
„Angor poef! Zalig!” riep ze, toen hij de cham-pagne-kurk liet knallen.