119
door al hun kennissen genoemd werden, maakten hun entrée.
„Twee snoezen!” dacht Corry, die, wat afge-schrikt door het koele, hooghartige in Jannie Forster blij was, de twee ongekunstelde, knappe tweelingzusjes te zien binnen komen.”
„Ze zijn in alles hetzelfde,” zei Walter, die hen voorstelde aan Corry. „Ze hebben dezelfde anti-en sympathieën en ik ben maar bang, dat ze op denzelfden man verkikkerd worden, want dan krijg je moord-tooneelen!”
„Wees maar niet bang!” lachte Elly, „we hebben al lang ieder ’n aparte vlam, niet waar, Dol?” „Ja hoor!”
„Ze moest ’t eens wagen neen te zeggen als jij ja zegt! En wie zijn deze twee ongelukkigen?”
„Je stelt er bijster veel belang in, Waltertje!” spotte Corry.
„Hij zit!” schaterde Elly.
Walter keerde zich naar de twee laatste gasten, die juist binnen kwamen en hen verwelkomend, stelde hij ze Corry voor.
„Het pas gehuwde stel, de heer en mevrouw Kaanter—de Veer, meer en beter bekend onder den naam van Els en Henk.”
Het werd nu het gezellige gegons van een bijenkorf. Alles sprak met en door elkaar, in afwachting van het komend diner.
Daar kondigde Mientje in keurig zwart japonnetje, met witte handschoenen, aan, dat er gediend kon worden.
Corry, aan Lodewijk’s arm, kon haar nieuwsgierigheid haast niet bedwingen.