117
„Dok is een kenner,” zei vol trots Mary, „je moet z’n collectie schilderijen eens gaan zien.” „Dolgraag. Mag ik dokter?”
„Wel zeker. Kom maar eens oploopen, dan heb ik iets voor je te zien, dat je ook wel mooi zult vinden.”
„Wat dan?” vroeg nieuwsgierig Mary.
„Kom maar mee, kun je er ook van genieten. Al m’n azalea’s staan in bloei, ’t Is een lust om te zien. ’t Was een toer om het heele stel over te houden, maar ’t is gelukt.”
„Dat u daar allemaal tijd voor heeft,” verwonderde Corry zich.
„Och,” hij knipoogde schelms naar Mary, „er zijn gelukkig niet veel zieken op het dorp.”
„En die er zijn laat dok liever door z’n collega beter maken,” lachte Lodewijk.
„Tja! ik heb m’n tijd gehad, kinderen!”
„Och, dok!” bromde Mary, „u doet net of u al zoo oud is! Zegt u nu maar liever, dat uw planten en bloemen u zóó na aan ’t hart liggen, dat u er uw patiënten door vergeet.”
„Een uitstekende remedie voor ze,” lachte hij fijntjes.
Er werd weer gescheld en even later kwamen Jannie Forster en haar broer Hans binnen.
Jannie, een teer blondje, met een ietwat hooghartig gezichtje, Hans, een echt mondain type, a. s. meester in de rechten, die er een Amilcar, een rijpaard en een zeiljacht op na hield.
Hans was niet bijzonder in de gratie bij de Martensen, maar terwille van z’n zuster, die een van Mary’s beste kennisjes was, hadden ze hem