116
je kijkt me zoo benauwd aan. Heb je ergens pijn? Kom dan bij je ouwen dok, dan zal ie ’t waarschijnlijk toch niet beter kunnen maken.”
Corry schaterde het uit. Zoo’n type dokter had ze nog nooit ontmoet. Ze vond hem vermakelijk.
Mary, dokkie even op zij trekkend, fluisterde hem in, dat hij z’n dasje recht moest zetten.
„O, is er weer iets niet in orde met m’n toilet,” lachte hij gemoedelijk. „Zet m’n dasje dan maar even recht, kind.”
Mary, haastig, in angst, dat de andere gasten zouden komen, schikte het dasje recht.
„Wat heeft u daar nu voor een zakdoek zitten,” zei ze bestraffend.
„Is ie niet goed? Ik kon geen andere vinden. Die lag op een tafeltje.”
Mary proestte het uit, toen ze den zakdoek te voorschijn haalde, ’t Was een zijden kleedje met een smal kantje er aan.
„Dok! dok! u is onverbeterlijk! Ik zal gauw even ’n andere voor u halen!” en ze rende naar boven en nam uit den voorraad van de jongens een wit zijden zakdoek.
„Tsjonge! wat een fijnigheid!” prees dokkie. „Mag ik zeker m’n neus niet in snuiten! Ik zal probeeren er aan te denken.”
Achter de groote brilleglazen fonkelden de levendige, goede oogen, vol humor.
Corry vond hem een schat.
„Krijg ik wat van je werk te zien, juffrouw van den Bergh?” vroeg hij.
„Misschien, dokter. Ik heb geen werk bij me, maar ik hoop in de volgende dagen iets te maken.”