114
„Die merel! Kun je je dat niet voorstellen, lieverd? Jij hebt een groote liefde voor je werk, je gaat er in op, geeft er je beste krachten aan. Nu, ik ook! Ik kan niet anders. Ik moet werken. Hoe zou ik nu dit werk, dat me zóó lief is, kunnen laten?”
„Ja, maar als je trouwt gaat de zorg voor je man en je huishouden toch vóór.”
„’t Zou niet noodzakelijk zijn, dat ik dit zelf deed. Ik zou een pronkjuweel van een maagd nemen, waar ik alles aan kon overlaten.”
„Jammer, dat zulke pronkjuweelen moeilijk te vinden zijn,” zei Lodewijk.
„Ik zou haar vinden! En als ze niet te vinden is, dan ga ik en pension wonen, öf... ik trouw maar liever niet!”
„Ik ben blij, dat ik je man niet word!” lachte Walter. Een trap tegen z’n voet van Mary deed hem zwijgen.
„Zeg, menschen, zouden jullie je niet eens gaan kleeden?” vroeg Mary. „Straks komen de gasten en dan ben je niet klaar. Jongens, jullie in smoking, hoor!”
„Moet jij je dan niet dressen?” vroeg Corry. Mary sloeg de witte jas open.
„O, wat een engel van een jurk!” zei Corry bewonderend. „Doe even je jas uit en laat me loeken! Waar heb je dat beeld vandaan?”
„Uit Parijs.”
„Dan is ie van Poiret!”
„Ja, hoe weet je dat?”
„Omdat hij alleen maar zooiets kan ontwerpen. Dat is juist zijn manier van scheppen. Eigenlijk