112
„Dan denk ik tenminste niet meer aan zulke malloterigheden,” dacht ze.
Toen ze daarmee klaar was, trok ze over de „Fransche pracht” een linnen jas aan en zoo toog ze naar de keuken om als een generaal een laatste inspectie te houden.
„’t Is alles in orde,” zei ze tevreden. „Ik geloof, dat het een welgeslaagd diner zal worden.”
„Vast wel, juffrouw,” zei Neeltje vol overtuiging. „En heb je Mientje precies gezegd wat ze doen moet, zoodat alles vlot doorgaat?”
„Maakt u maar niets ongerust, ’t zal best gaan.” Mary kwam juist van haar inspectie terug, toen ze de rinkelende belletjes van de arreslee in den tuin hoorde en de opgewonden stem van Corry. „Fijn gehad?” vroeg ze.
„Niet te zeggen, hoe fijn!” zei Corry, die wangen als pioenrozen en oogen als karbonkels had. „Een tocht om nooit te vergeten! Ik heb me alleen schuldig gevoeld, dat ik niet bij jou bleef. Morgen krijg je me met geen stok de deur uit, als je niet mee gaat.”
„O, maar dan ga ik wel mee. We zullen straks het programma voor morgen opmaken.”
Lodewijk en Walter, na zich ontdaan te hebben van jas en hoed, wilden de huiskamer binnen gaan.
„Wat is dat? Op slot?” vroeg Lodewijk verwonderd.
„Zit je niet glad!” plaagde Mary. „We gaan boven zitten. Ik heb er de thee al klaar gezet.” „O huis vol geheimenissen! Wat speelt zich af achter deze gesloten deur?” declameerde Walter.