Zou hij dan al dat Fransch nog inhalen kunnen?”
Het jongetje in het schuitje luistert niet goed, hij vischt met zijn riem een sliert kroos uit het water en wil dan weer weg. Daar roeit hij heen en het kleine meisje kijkt hem na, maar ze ziet niets dan tusschen kleurschietende pijltjes wat groen van zijn schuitje en wat blauw van zijn buisje, waterig, zilvcr-vliezig trillend dooreen,. . zóó vol tranen zijn opeens haar oogen gesprongen. Mooie kleurtjes geeft dat, wanneer de zon erin valt. . maar daar schuift een wolk voor de zon, weg zijn de kleurtjes, wijder slaat ze de oogen open en als uit boorde-vollen kom rollen de tranen allemaal tegelijk op haar wangen neer —, ze zijn heel en al koud geworden.
En ze staat stil. Wat was er ook weer? Waarom heeft ze gehuild? Het overloopen van haar oogen bracht ontspanning, naar zoetheid zweemend, en nu weet ze niet meer. . Maar dan kruipt het weer bij haar binnen en knijpt om haar maag — al drie dagen geleden begon de Fransche school en nog kwam niet de brief! En vader had zoo prachtig geschreven bij de gedragboekjes met bijna voor alles een vijf! En ’t leek zoo vast te staan. Ze hadden het ook overal rond-verteld, zij vooral: haar broertje zou naar ’t Fransche school gaan, naar ’t deftige, voorname Fransche school.
Alleen de echt-rijke kinderen uit de grqote huizen met tuinen en schuitenhuisjes aan de rivier, die gaan er van meet af heen, de minder rijken komen pas later, in de vijfde klas, waar het Fransch leeren begint en de kinderen uit hun straatje komen er nooit. Keesje Prins woont dan ook maar half in hun straatje, zijn huis staat op den hoek, zijn vader heeft een zeilmakerij, daar draaien ze ook touw, en vroeger stond er ,,tou-werk” met één w, maar nu is dat gelukkig veranderd. Voor de ramen, achter de binnenplaats zit al jaren lang dezelfde oude, kromme knecht met de vethoorn aan
209