met den Keizer er op en met de hooge Generaals en de voorname Staatslieden er opl Het was een van die dagen, wel tien, wel veertien achtereen, dat je zóó vroeg niet op kon staan, of de hitte was je al voor, en zoo laat niet naar bed kon gaan, of de hitte bleef nog langer op. ’s Morgens was het al zoo melkachtig aan den horizon en dan wist je het wel, dan werd het weer zoo’n kleverigen dag.
Op zulke dagen zie je boven den polder de lucht van de hitte trillen, alles hangt slap en loom. . Om beneden tegen den dijk of onder een boom te liggen, waar nog niet is gemaaid en waar het gras met wat erin bloeit zoo heerlijk ruikt —, anders dan gewone, frissche bloemengeur, kaneel-achtig zoet en slaperig-makend — daarvoor is zoo’n dag wel goed, maar moet je in de hitte loopen, dan gloeit je gezicht en je voeten worden geroosterd. En dien dag hadden ze een heel stuk te loopen, de haven langs en verder nog, de bocht voorbij en tot aan het kanaal en daar zouden ze met Vader op den kant mogen zitten en de groote oorlogsschepen voorbij zien komen met den Keizer en de hooge officieren en de voorname staatslieden. De Keizer vaart op een groot, grijs schip en hij zal boven-op staan en misschien zullen zij hem zien, maar in elk geval zullen ze zijn oorlogsschip zien.
Van het opstaan af hebben ze eraan gedacht, bij het wakker worden het dadelijk gevoeld: vandaag gebeurt er wat, vandaag is er iets bijzonders. Vaak word je wakker met dat gevoel en als je dan je bezint en merkt dat het niet zoo heel bijzonder is, dan lijkt het of er iets kouds op je valt, maar ditmaal niet..
Ze gaan naar het Kanaal met Vader, en den Keizer zullen ze zien op een hoog, groot oorlogsschip en de schepten zullen langzaam varen.
Ze zijn gegaan. Rijtuigen zijn ze achter-op gereden en mannen met kersen duwden hun karren voor ze uit,
203