bij hen kwam laten kijken zei moeder: „Wel, wel, ze is compleet een groot mensch in die mantel.” Nu, en heelemaal een groot mensch is Mijntje niet, zelfs in dien mantel niet —, dan beteekent „compleet” toch ook „haast” of „ongeveer” of „bijna”. Zoo had ze het willen uitleggen maar de meester haalde zijn schouders op en zei „onzin. .”
Moeder zal toch niet iets zeggen dat „onzin” is, of. . zou „compleet” misschien weer een van die woorden zijn, die alleen Joden gebruiken?
Woensdag hebben ze zinnetjes gemaakt met „om” en „over” en „in” en „voor” en meer van die kleine woordjes, die heel veel beteekenen, omdat ze de dingen aan elkaar verbinden. . „aan” was er ook bij. En zij schreef: „Moeder doet zout aan het eten.” Ze heeft dat thuis zóó vaak gehoord —, soms vraagt moeder plotseling aan zichzelf: „Heb ik wel zout aan de aardappels gedaan?” en isoms aan Vader: „Is er aan de peertjes wel suiker genoeg?” „In” zegt moeder als het koffie is, maar „aan” als het eten is — en dat is fout, het moet altijd „in” zijn, en alleen de Joden, zegt de meester, zeggen „aan” als het „in” moet wezen. Toen werd er natuurlijk weer gekeken en gefluisterd en gelachen in de klas en ze kreeg een kleur, en als dat telkens gebeurt en als ze dan altijd zoo kijken en fluisteren en lachen, dan zal ze het op het laatst niet meer durven zeggen als ze iets bijzonders weet. Dat zou haar spijten, want ze weet dikwijls iets bijzonders bij het woordenverklaren.
Maar of nu hooi goed is om je warme voeten koel te maken, dan kan toch niets met Joodsche woorden te maken hebben!
Op een vreeselijk heeten dag in de zomervacantie zijn ze met Vader naar het Kanaal gewandeld, om de schepen te zien, die uit de zee kwamen en naar de groote stad voeren, hun stadje op een afstand voorbij,
202