raakt de zoldering haast met zijn hoofd, straks buiten dachts ze het ook al: als hij wou vischte hij met zijn hand de blaadjes uit hun goot!
Voor het Mirzach staan te nu, naar het Mirzach keken ze van hun stoelen. Ze weten natuurlijk niet wat een Mirzach is, maar de Hebreeuwsche letters zien ze en nu begrijpen ze dat ze bij Joden zijn, dat ze in een huis van Joden voor den regen schuilen. Wat gaan ze nu doen? Wegloopen, de straat weer op, liever dan bij Joden te schuilen? Neen. ... ze lachen weer tegen haar en wenken haar en willen dat ze bij hen komt. Och ja. .. . waarom niet... . maar neen. .. . waarom wel? Ze doet alsof ze niet begreep en kijkt weer het raam uit.
Ze weten niet wat een Mirzach is en zij kan het ze niet zeggen, want ze verstaan elkanders talen niet.
Is het niet vreemd, dat menschen dezelfde gezichten hebben en lijven en kleeren en dezelfde manieren van lachen en dat ze dezelfde dingen mooi en leelijk vinden en lekker of akelig vinden en op dezelfde manier voelen en verdriet hebben en blij zijn en dat toch als een dikke muur zonder vensters de vreemde taal staat tusschen hen in, zoodat ze niet bij elkaar kunnen komen? De vreemden zouden weten willen wat dat „Mirzach” is en zij zou het ze willen uitleggen, maar het is onmogelijk. Wonderlijk, wonderlijk!
De eene dame is nu zelf naar haar toegekomen en keerde haar gezicht bij de kin naar zich toe, nu komt de andere dame ook, de jongen blijft op een afstand staan. Ze bekijken haar, als was ze een prentje en zeggen dan telkens wat tegen elkaar. Het is heelemaal niet prettig, al bedoelen ze het vriendelijk, de jongen merkt dat ze het liever niet wil, hij wenkte de dame, die zijn moeder moet zijn jen ze laten haar los en gaan naar hun stoelen terug.
Maar wacht eens even.. Neen mijnheer, dat moogt
197