over het straatje worden ze grooter, worden hun tanden witter en het blauw der oogen van den jongen blauwer.
Ze zijn het stoepje al op en het gangetje al door en de kamer al in, langs hen heen sluipt het bedompte van vóór het onweer als een ontsnapte gevangene naar buiten en het frissche komt achter ze aan naar binnen.
Nu zitten ze, op stoelen rondom de tafel en zij waar ze straks al zat, aan het raam; ze lieten hun natte jassen op den kapstok achter en lijken nu veel dunner, behalve de jongen.
Ze praten over haar, in hun taal, die ze niet verstaat, ze zeggen vriendelijke dingen, het is prettig en niet prettig tegelijkertijd, zij kijkt door het raam naar buiten. Het regent harder dan straks.
Maar moet ze niet iets presenteeren? Als er visite is, wordt er altijd gepresenteerd, dat hoort zoo. . behalve balletjes heeft moeder niets in huis; een balletje dan maar.
Eerst de dame of eerst de heer? De dame is wel de oudste, maar heeren gaan toch voor? Vader krijgt altijd van alles het eerst!
De jongen natuurlijk het laatst. En zelf neemt ze er nu óók maar een.
Ze zuigen op hun balletje, ze lachen tegen elkaar, ze vinden ze lekker. Ze zijn ook maar niet lekker, de balletjes van Stoffels!
Wat moeten het rijke menschen zijn. De dames allebei in blauwe zij, de heer in grijs en de jongen in een ruig, bruin pak en kousen zooals alleen vreemdelingen dragen, bruin zijn ze en door donkere strepen verdeeld in ruitvormige vakken, als groote stukken boterkoek.
Waar zit de heer zoo naar te kijken, wat wijst hij den dames toch, boven de kopjeskast tegen den muur? Nu staat hij op en gaat er heen. Wat is hij lang, hij
196