oplettend langs den dikken natten boomstam staat te kijken? Die gedachte doet haar ineens het bloed naar de wangen gaan, ze durft niet nog langer veinzen. . ze lachen zoo vreemd met elkander. Maar het duurt nog wel even, eer haar oogen en haar gezicht het wagen hun viervuldig kijken te ontmoeten.
Ze hebben tegen elkaar gelachen en geknikt en haar gezicht werd nog warmer, terwijl ze terugknikte. . de jongen heeft in zijn bruine gezicht blauwer dan hemelblauwe oogen. Wat zullen ze nu verder doen? Ze kunnen toch niet blijven lachen en knikken en zij kan toch evenmin meer doen alsof ze ze niet heeft gezien. Ze praten weer over haar en nu is het niet heelemaal prettig, nu ze zien dat zij het ziet! Naar binnen gaan? Ja, dat moest ze eigenlijk wel doen, maar binnen in de kamer huist nog het dompe van voor het onweer en haar angst van toen het zoo lichtte en sloeg. . En nu letten ze niet eens op haar.
Het roode dikke boekje dat hij, den vinger tusschen de bladen, in zijn hand gehouden heeft — dat doen al de vreemdelingen, daaraan kun je ze kennen! — heeft de heer opengeslagen, den jongen trok hij bij den arm dichter naar zich toe, nu kijken ze samen; de dames staan met de hoofden dicht bijeen over een dunner boekje gebogen, een lange kaart viel wentelend open naar ondaag en hangt nu tusschen hun handen zacht te schommelen. Ze kijken geen van vieren, nu kan zij eens vrij-uit kijken naar hen. ., maar daar draait zich het jongenshooifd over den schouder achterom naar haar toe en ze zag de helft van zijn witte tanden en één blauw oog en een wang, in glimlach rondend. . en juist vóórdat ze, opnieuw warm over haar heele gezicht, haar kijken weer terugtrok zag ze nog iets: verschrikt en ontevreden keek de heer omhoog, want een heele rits druppels viel in zijn open boek.
De dames komen er alle twee bij toeloopen. Ze
194