waar? — het rolt nog wel gestadig, maar geen slag kan het hem vooruit ijlende licht meer achterhalen, noch het geluid van den regen overstemmen.
Die komt al machtiger aangedreund door de lucht — het leger dat de stad bevrijden gaat! — die ploft in vervaarlijke vracht en rechtstreeks uit de hoogt.' boven op den olm en daar breekt zijn doffe, zware d eun uiteen tot een veelheid van geluid. Daar zingt in den olm meesters viool, daar neuriet moeders waterketel, treurig en zeurderig of eigenwijsjes neuzig en fijntjes hoog, en klappei hout jes en roffelt lommen en rommelpotten en klepper'klompen. . een geraas van wonder en geweld. . en de donder gromt er tegen in, maar meer dommelig dan boos, als een uitgeputte vccht-reus, die bromt omdat hij niet slapen kan in al dat speelsche rumoer!
Hé, wat weert zich de olm, hij schijnt er nu genoeg van te krijgen, hij schijnt wel nijdig te worden! Hij kan ook zóó gauw het water niet doorlaten naar de lagere takken als het hem van boven-a£ wordt opgegooid, hij kan het niet verzwelgen, hij stikt er bijna in. Met al zijn bladeren en takken wenkt hij naar boven, „Genoeg, genoeg!”, met al zijn stemmen roept hij tot de wolken op, „genoeg, genoeg. . ik kan het niet op, ik lust niet meer. .”, maar de wolken zijn opengebroken, zijn losgebroken en storen zich nergens meer aan.
In de open straatdeur staat ze op het bovenste stoepe-treedje. Wat een warboel van groen-en-zilver dooreen gewoeld loof, wat een beweeglijkheid van glijdend en springend en spattend water. Hun olm! O, als ze toch eens hun olm niet meer hadden. . als toch eens tegenover hun huis ook een nieuw overbuurhuis kwam zoo-als er links en rechts al zijn gebouwd, met een chocola-bruine deur en twee ramen, met een bleekje.en een kippenren of een duiven-paleis. . en dat ze dan hun olm niet langer hadden.
191