zijig fijn. Deze vaart is breed en kronkelt tot diep in het land en de oevers zijn naakt. Ze komen het donkere dorp weer binnen, en het is alsof ze wat aan zon nog restte achter lieten bij de sluis.
„Zuig jij nog op je balletje? Is het nog niet haast op?”
„Neen., waarom vraag je dat toch telkens? Waarom at je zoo gauw je eigen op?”
Ze hebben van hand en van kant gewisseld, ze laten elkaar de rood-en-witte binnenkanten van hun handen zien.
„Je zoudt er blaren van krijgen!”
„Zuig je nu nog?”
„Ja zeker! Wat wil je toch? Het is nog maar half
°P”
Waarom lachte hij daar nu weer in zichzelf? Hij heeft iets, hij verbergt iets, dat zij niet mag weten!
De klok slaat vijf, daar vóór hen uit, de Ooster-toren! En zoo pardoes blijft hij staan, terwijl zij doorloopt, natuurlijk, dat de melk opsprong tot over den rand.
„Wat heb je toch? Je laat me schrikken!”
„Spuug uit!”
„Wat? Wat moet ik uitspugen?”
„Je balletje! Je gomets-balletje. De klok sloeg vijf uur. Je weet wat mijnheer Hamel zei, gister op school.. na klokslag vijf geen gomets meer. Je doet zonde. . je doet al dertig seconden zonde. Spuug het dan uit?”
Het lekkere balletje, waarop ze zoo zuinig mogelijk zoog, dat ze telkens zelfs even verstopte achter haar kiezen, als al te overdadig het warme, zoete stroomde door haar keel! Dus daarom at hij, zonder haar te waarschuwen, het zijne op! Had ze maar geweten, ze had natuurlijk ook het hare doorgeknauwd, dan was het nu ook wel op, maar dan behoefde ze het tenminste niet uit te spugen.
166