vrouw hadden het al telkens vorige avonden gezegd: zou het mevrouwtje niet eens naar beneden komen? Maar nu, hij wist het zeker, nu kwam ze op meneer af —•f en ze hoefde er geen kleur om te krijgen, er waren ér wel meer met rokken aan die hem wat graag lijden mochten!
Ze trilde van verlegenheid, om haar eigen feilen blos, die haar verried. ״Ik wist niet dat u bezoek had," stamelde ze, maar de oude boer schaterde, den mond breed open in zijn steenrood gezicht en knipoogde den bezoeker toe. Hij glimlachte ׳—, maar toen hij bemerkte dat Ina fel naar hem keek, werd hij dadelijk ernstig en correct. Hij had een mager, bruin gezicht, met scherpe trekken, hardglanzende blauwe oogen en smalle pezige handen, zijn heele wezen drukte gemak en vastheid van optreden uit, alsof hij veel had gereisd en in allerlei kringen verkeerd. Hij was, op het uitgelaten aandringen van den boer, weer gaan zitten, maar eigenlijk tegen zijn zin, meende Ina te bemerken en ze voelde zich gekrenkt. Ze zat naast de boerin en wendde zich in het spreken opzettelijk geheel om op haar stoel, om uit den hoek van haar oog hem steelsgewijs en ongezien gade te slaan en te weten of hij ook naar haar kijken zou. Hij deed het, de harde staalblauwe blik rustte op haar gezicht, streek langs haar handen en langs haar gestalte en verzachtte zich in het kijken —, om den stroeven mond kwam de schaduw van een glimlach — belangstelling in de oogen, en inmiddels praatte Ina met de boerin, niet recht wetend wat ze zeide, krampachtig haar vasthoudend in gesprek, om niet gedwongen te zijn, de oogen in zijn richting te wenden en zijn streelend kijken af te snijden. Want het ving en bekoorde haar, dat kijken, en schonk haar eenzelfde zoete verdooving als zat ze onder een bloeienden boom en liet de bladeren zacht tusschen haar nekharen krieuwen, terwijl boven haar hoofd de takken ruischten en nu en dan er bloesem viel — en ze ervoer wat ze dien avond bij Coba's vriendin had ervaren —, een trillend uitstroomen van haar wezen naar hem toe, als om het zijne te omvatten en daarmee één te zijn —, niet langer alleen, verlaten, zonder begrip en warmte en steun. Ze had willen weten of ze hem bekoorde, maar ze liet niets van haar gevoel blijken —, ze trachtte het integendeel te verbergen, nu ze bijna zeker wist, dat hij haar blozen opgemerkt had en er om geglimlacht, nu ze vreezen moest, dat hij haar komen om zijnentwil vermoedde. Ze antwoordde dus op zijn vragen — geërgerd en toch bekoord door een bijzondere, wèeke klank in de stem, die ze onmiddellijk voelde opzettelijk,
91