zich voor een paar dagen vrijmaken moest en overkomen, en dat ze dan weer als vroeger tezamen zouden wandelen en zwerven. Wanneer ze hem zoo schreef, voelde ze zich vol gehechtheid, teederheid en trouw, warm van dankbare herinnering en dan was het haar als moest ze maar weer gauw tot hem gaan en zonder zwarigheid en botsing voortaan met hem leven —; het scheen haar in dit licht gezien, ook zoo gemakkelijk te volvoeren.
Op een avond dat het regende en ze alleen zat in de lage, halfweg witgekalkte bovenkamer, turend in de lamp, met in haar borst dat oude gevoel van knagend ongeduur, dat stage vragen, altijd op dat eene gericht: wat toch haar hier-zijn beduidde —, en wat haar zijn tusschen de menschel! beduidde —, hoorde ze beneden in de keuken spreken en lachen. De oude menschen schenen bezoek te hebben en. nu ze goed luisterde, onderscheidde ze een mannenstem, buigzaam en diep van klank, die niet van een boer kon zijn. Nieuwsgierigheid prikkelde haar: wie kon die vreemde wezen met zijn beschaafde, welluidende stem ? Ze voelde plotseling een sterk verlangen op te staan en zich bij hen te voegen, het nieuwe gezicht te zien, de nieuwe oogen, de nieuwe stem te hooren, ze stond al naast haar stoel, de hand op de leuning en bedacht zich gejaagd op een voorwendsel —■ er was al een dalende klank in de stemmen beneden, als waren ze opgestaan en spraken van heengaan — kon ze niet vragen wat later gewekt te worden morgen of naar de post om brieven ? Ze bedacht zich niet langer, maar liep hakkelend de steile trap af, het rosverlichte blauwe gangetje door waar het naar versche kaas rook en naar melk, en kwam de keuken binnen. De vreemde bleek juist gereed om heen te gaan —, een zoete, warme harsreuk stroomde haar tegemoet, de hitte van het houtvuur omvatte haar en trok haar binnen als met zachte handen. Tegen het licht der vlammen stond hij stoer en donker in ruige sportkleeren, en wendde het hoofd naar haar om bij haar binnenkomen.
״Een gast ?" vroeg hij verwonderd-glimlachend de oude boerin. Maar die scheen met haar komen niet ingenomen. Ze knikte met een stijf lachje en bood haar met minder vriendelijkheid dan anders een stoel bij het vuur. Het verkilde Ina, het gaf haar het gevoel als was zij een onwelkome indringster en de oude vrouw heimelijk jaloersch. De boer daarentegen toonde zich met haar komst uitbundig verheugd. Hij had het immers wel voorspeld, ze zou het niet avond aan avond boven alleen uithouden! Hij en zijn 90