voor haar, en niet van alle dagen, — zoo koel en norsch, dat hij even de wenkbrauwen optrok en bijna onmerkbaar, vluchtig den boer aankeek met ondervragende oogen. Het ontging Ina niet en ze voelde zich vernederd, ook geprikkeld tegen zichzelf: had die vreemde man het nu weer dadelijk in zijn macht, haar van kalmte en evenwicht te berooven, zoodat ze zich van louter nerveuze gejaagdheid, zonder zin of redelijken grond, aanstelde als een malle bakvisch, met koele, preutsch-geprikkelde woordjes en een wrevelig mondje? Wat moest hij van haar denken ? Het beste was nu nog maar, dat hij haar voor nukkig en onvriendelijk hield.
Hij ging nu gauw heen —, de atmosfeer leek verkild, Ina had weer het gevoel alsof door haar het vriendschappelijk samenzijn was verstoord, en verlegen, zonder veel woorden, klauterde ze na zijn vertrek haar trapje weer op naar boven.
Maar den anderen morgen in het wakker worden was haar eerste gedachte bij hem. Nauwkeurig ging ze na al wat er dien vorigen avond gezegd en gebeurd was, eiken blik, elk gebaar haalde ze naar voren als om het van alle kanten te betasten en te bezien. Wat zou hij van haar denken, hoe zóu hij haar vinden? Hij scheen haar als mysterieus —, ze dacht aan zijn smalle, pezige handen, als waren het de eerste mannenhanden, die ze ooit zag; aan zijn onnatuurlijke zoet-slepende stem, als afgericht om vrouwen te lokken —, ze vermoedde dat hij een man-voor-vrouwen was, ze wist dat er in werkelijkheid niets wonderlijks aan hem bestond, niet aan zijn handen en niet aan zijn gelaat —, dat zij er na enkeie malen ontmoeten ook niets wonderlijks meer in ontdekken zou ׳—, en nochtans kon ze dat gevoel van gespannen verwachting niet van zich afzetten. Dien heelen dag was ze vervuld van de gedachte aan hem, bracht in den namiddag den ouden boer aan de praat over hem, op gevaar af dat hij haar doorgronden en weer verraden zou —, en verweet zichzelf beschaamd die spanning, dat verborgen verlangen naar opnieuw de ontroering van zijn aanwezigheid, als onwaardig, ongegrond, karakterloos en klein.
Vooral wanneer ze de gedachte aan hem verbond met die aan Egbert, gloeide de schaamte in haar aan. Wat zou hij zeggen, als hij het wist, dat den ganschen dag haar gedachten hadden vertoeft bij een onverschilligen vreemde, met wien ze geen tien woorden gesproken had —, dat haar oogen helderder stonden, haar wangen fleuriger bloosden bij de enkele veronderstelling dat die vreemde man haar bekoorlijk vond! Egbert zou haar schimpen, hoonen, verach-92