En terwijl ze las — van vurige kruisvaarders, dwepende godsdienstpredikers, idealisten en helden — was het als zat Egbert tegenover haar 'met zijn zelfgenoegzaamheid en zijn spot, die voor geen raadsel stond, alles in drie tellen met drie woorden besliste, elk raadsel van verleden of heden oploste met een handomdraaien en hetzelfde ״historisch-mate-rialistische" ezelsbruggetje, dat zijn hoogste wereldwijsheid uitmaakte en waarop hij eiken avond in volkomen gemoedsrust het hoofd te slapen lei. Voor hem scheen de wereld uitsluitend te bestaan uit bedriegers en bedrogenen —, met een kleine uitgelezen keurbende van krachtige geesten, sluwe vossen zooals hij, die ontoegankelijk waren voor eenig sentimenteel of ״ethisch" boerenbedrog! Ze voelde somtijds wel het armhartige en enge en ontoereikende van die opvattingen, maar vond geenerlei vastheid van beschouwing in zichzelf om er tegenover te stellen en kon zich dus aan hun invloed niet onttrekken.
Ze was, na haar laatste vertelling, niet weer opnieuw tot werken gekomen —, maanden lang had het haar geschenen als was ze leeg en uitgeput, als had ze alles wat ze wist, eens en voor altijd uitgesproken. Maar langzaam aan begonnen als op den achtergrond van haar geest zich weer nieuwe beelden en nieuwe gestalten te vormen —, doch wanneer zij ze naar zich toehalen wilde, vielen ze als asch uiteen. Het gaf het gevoel van vroeger —, dat ze op eenige wijze van zichzelf was afgesloten en soms dacht ze aan het Scheppingsverhaal, hoe God een wezen kneedde uit leem en daarna leven gaf met zijn adem —, dan haakte ze naar den Gods-adem, die de leemen beelden binnen in haar leven inblazen zou —, maar ze wist niet langs welke wegen die tot haar zou kunnen komen.
Door al die bewogenheid en strijd verkeerde ze de eerste week in zulk een toestand van neerslachtigheid, dat ze ondanks dê zware voeding en de gezonde lucht bleeker en slapper was dan tevoren. Ze schreef Egbert alle dagen, maar verzweeg als vanzelf voor hem, wat haar het veelvuldigst bezighield. Ze vertelde hem van den jongen, over de ligging van het huis, de omgeving en de menschen, over een oude kast, die ze bij buren had ontdekt en die misschien wel te koop zou zijn.
Hij antwoordde in denzelfden opgewekt-schertsenden toon, maande haar vol hartelijkheid dat ze flink eten en ״lucht-happen" moest en betuigde dat hij haar benijdde om het buitenleven dat ze genoot. En Ina drong er op aan, dat hij
89