oudere en wijzere lieden. Schrijf nu vanavond nog een briefje aan die menschen en laat den jongen hier thuis bij mij. Ik ben toch niet Saturnus, die zijn eigen kroost vreet !"
Maar Ina, week weifelend en toegevend aan beider verlangen, bleef er op staan het kind mee te nemen.
„Goed dan," besliste Geerte, „maar dan ook het meisje om hem op te passen. Je moet werkelijk rusten. En ik zal in dien tijd mijns broeders hoeder zijn."
Ina was nu enkele dagen buiten, in een omgeving van volmaakte landelijke kalmte, maar ze kon niet tot rust en evenwicht komen. Het was einde Februari en er woeien dagelijks vochtige winden, regen sloeg uit zware wolken op de beuken en pijnen neer, klaterde koud in den beek achter het huis , en al dat sombere en ruwaardige droeg tegelijkertijd een zoo duidelijke belofte van komende lente in zich mee, dat Ina zich onrustig en beklemd gevoelde. Het was in de rosse wildheid der diepe avondlijke verschieten, in de vochtige kleuren der beukestammen, het trok rillend over het naakte water en over de velden, het scheen haar met gefluisterde beloften als uit zichzelve weg te lokken, en ze wist niet waarheen het haar voeren wilde. Het was, als had elk ding een eigen geheim, een eigen kloppend hart, het hare na, met het hare één, en waar haar bewustzijn toch geen deel aan had, zoomin als aan haar eigen hart. Had ze maar gedachteloos zich aan de wijde frischheid van lucht en wind en water kunnen overgeven —׳, werd ze maar niet zoo dag aan dag door dat geheime leven beslopen, door die geheime stemmen verontrust —, nu verlangde ze bij tijden bijna terug naar de nuchtere stad, waar niets tot haar sprak en niets haar verontrustte, zooals ze vaak in zoete vertwijfeling door den geur der eerste hyacinthen — zóó smachtend verbeid —׳ naar den starren winter had terugverlangd.
Ook thuis vond ze geen rust. Gedwee had ze ditmaal allen raad, die haar gegeven was, opgevolgd, de boeken thuisgelaten, het werk laten rusten, besloten zich zwaar te voeden en met lichaamsinspanning te vergenoegen —, maar het ging niet. Den eersten middag al had ze zich gretig meester gemaakt van een stoffig dik geschiedenisboek, dat de boer op zolder had liggen, in een plotseling verlangen te weten te komen hoe haar gevoel zich thans verhield tegenover de dingen, waarnaar ze op school gedachteloos geluisterd had. 88