heid verwenschte en verfoeide, ging ze aan tafel zitten en zweeg.
Egbert was met een heerschersblik bij de deur vandaan gekomen en zat alweer bezig aan zijn papiertjes met aan-teekeningen. Het was plotseling, na de kortstondige heftigheid van daareven, vreemd, klamstil in de kamer. Ina voelde aan haar voorhoofd, het was nat van heet zweet. Er woog een brok in haar borst, als een onweerswolk grauw en zwaar/■—, en ze wist dat ze niet tot rust zou kunnen komen voor het zich in heftigheid en tranen ontladen had, voor ze, langs welken weg dan ook, tot een oplossing, een opheffing was gekomen, voor het verbroken evenwicht was hersteld.
Ze walgdé tegen haar drift en tegen haar onmacht om zich te doen gelden, tegen hem en zijn koude kalmte, O, hem daar bezig te zien met zijn papiertjes, terwijl ze ziek van ellende was. Waarom lette hij dan altijd alleen op haar ״toon", viel haar in oogenblikken van felste spanning in de rede om te vragen of hij misschien „de deur zou openzetten om de meid te laten proflteeren en dat ze anders nog wat harder schreeuwen moest."
Nooit een poging om met voorbijzien van het hoe, eerlijk te weerleggen wat ze zei, of haar gelijk te erkennen ׳—, niets dan nijdig kribbebijten, laffe grappen om er af te komen, vangen op woorden, hoonen om een spreekwoord of een citaat, dat haar in het vuur der rede ontviel —, treiterig vragen waar ze haar wijsheid haalde, verwijten dat ze „ruzie" zocht, in „ruzie" behagen schepte, niet rustte voor ze „ruzie" had ׳—, terwijl haar geheele drijven gericht was naar waarachtige eenheid door waarachtig begrip, door storm en twist desnoods heenjagend, maar waarlijk niet naar storm en twist. Ze wist toch te goed hoe vredelievend ze was van nature.
Samen tot een waarheid komen —, er viel niet aan te denken. Het woord, de voorslag alleen al prikkelde hem, hij belachte haar openlijk en noemde haar een „wijsgeer van den kouden grond". Verviel ze dan, tot bloedens toe vernederd en gepijnigd — tot een razernij van heftigheid, tot schelden, ■dan werd hij dadelijk de beleedigde onschuld, smaalde haar „toon", sprak over „de buren" en „de meid" of trok zonder een woord tergend-langzaam zijn schoenen aan en ging weg. Zoo kon het niet blijven, er moest iets op gevonden worden —, dit leven was niet wat ze begeerde en wat haar bevredigen kon. Al dat hoonen, schimpen, verachten, bespotten, dat smalend neerzien op elke uiting van gevóél, weekheid, geestdrift —׳, het was niet te dragen, het
6. C. V.
81