losheid in den vorm'den indruk te wekken alsof het haar te doen was om het onpartijdig weergeven van een jeugdigen gemoedstoestand, waaraan ze nu natuurlijk volop was ontgroeid. En dit alles ook wel eenigszins uit twijfel aan de waarde van haar eigen gevoelens —, die immers misschien niets beduiden dan wat Egbert had genoemd: ״overblijfselen van de kinderachtige vrees der voorgeslachten, bestemd om in het voortschrijden der beschaving onder te gaan", die in haar bestonden, maar in Egbert niet en waarvan het ontbreken misschien bewees, dat hij in kracht en verstand haar meerdere was! Ze bezat met al haar prikkelbare hooghartigheid zóó weinig zelfverzekerdheid, dat ze zich langzaam aan was gaan schamen tegenover Egbert voor de diepste, echtste trillingen in haar wezen. Ze wilde zich vooral niet minder dan hij vrij en onafhankelijk toonen, even onvatbaar voor suggesties, even ontoegankelijk voor ״boerenbedrog" en ze schond daarvoor de innigheid van haar werk, en repte er van met geen woord.
Eindelijk verscheen het —, ze vond op een middag het tijdschrift op tafel liggen, en in de eerstvolgende dagen zag ze met kloppend hart Egbert erin zitten lezen. Hij las bij stukjes en beetjes, lei het bij elke aanleiding uit de hand, maar eindelijk op een avond had hij het toch uit. Hij sloeg het tijdschrift dicht, lei het neer en nam een krant op.
In benauwde spanning wachtte ze af, wat hij zeggen zou, maar hij bleef zwijgen.
״Heb je het uit, Egbert? 't Is nog een heele geschiedenis geworden, nietwaar? Ruim dertig bladzijden!"
״Ja, het valt me erg mee, en als je zoo voortgaat, worden we nog kapitalisten," lachte hij.
״En hoe vind je het ?" Benepen piepten de woorden uit haar keel.
„O, het zal wel in den smaak vallen, denk ik. Het is werkelijk heel fatsoenlijk geschreven, en er zijn altijd een massa menschen, vrouwen vooral, die zulk soort dingen graag lezen."
Meer dan in de woorden, hoorde ze achtelooze geringschatting in den toon waarop ze werden gezegd, ze wist precies waarop die gericht was, voelde ditmaal zonder voorbehoud zijn ongelijk en bedwong zich dus niet.
„Ik weet wel wat je meent — je houdt het voor „scheurkalender-litteratuur" —, nietwaar? Maar je vergist je —, ik weet, ik voel, dat er iets anders en iets beters in is."
Hij zette zich onmiddellijk schrap.
79