bereiken. Ze werkte dagelijks als Egbert uit was en haar jongetje sliep, in een heerlijk gevoel van diepe rust en volkomen tevredenheid. Ze zat dan zoo veilig in de stilte tusschen de wanden van het huis ׳—, niemand kon haar naderen, haar aan zichzelf onttrekken en met bekoring en vleierij, langs wegen van onrust en koortsachtig, doelloos verlangen verlokken naar afgronden van vernedering en naberouw. En uit haar׳ zelf was dan ook elke troebeling weg, alle twijfel verdwenen, druk en begeerte als voor goed van haar afgevallen — klaar zag ze door haar eigen wezen heen en uit die stilte in haar en om haar rezen de woorden voor wat haar bezielde vlekkeloos en vast. Dan beefde haar hand van bewogenheid om het wonder van het woord, dat zich als malsche was hanteeren en vormen liet, voor het wonder van den rythmischen volzin als voor een omsluierd geheim, waarin een afschijn van het groote levensgeheim van mensch en heelal verborgen ligt. Dan wist ze niet meer van trots en niet van zelfgevoel, maar besefte alleen dat ze een werktuig was, zwak en onvolkomen, wijl ze toch wat in de diepste verschieten bewoog met woorden . niet zeggen kon —׳, niettemin was ze dankbaar, dat ze dat werktuig wezen mocht, en het kwam haar voor, dat ze, in die volkomen nederigheid, dat volkomen loochenen van eigen macht en kunnen, grooter en gelukkiger was dan in den ouden, engen, klemmenden, altijd op anderen bedachten trots. Zoo werd de vertelling voltooid, waarin ze had gepoogd het echte wezen van liefde als vervoering en verheerlijking te vatten en uit te drukken, in het weergeven der gevoelens van kracht en onzelfzuchtige goedheid en verheven levenslust, die haar voor jaren hadden bezield, zoovaak ze in de kamer achter de klokkewinkel onder het naakte waterblanke licht der gordijnlooze bovenramen bij den ouden man zat met den zwaren baard en de vurige oogen, en hij vertelde van zijn jeugd, zijn vaderland, zijn droomen en tochten en idealen en zij wist en voelde dat ze in zichzelf, in de gansche wereld en in God geloofde.
Ze had al bij voorbaat gevoeld, dat Egbert met dat verhaal niet ingenomen zou zijn, schoon ze ook ditmaal uit schaamte voor hem angstvallig was geweest in de keus van haar woorden, en met opzet het woord ״God", waar het zich tot tweemaal toe volkomen natuurlijk en bijkans onvermijdelijk aan haar voordeed, vermeden en door een neutrale, vale, kleurlooze omschrijving van wat ze voelde, had vervangen. Ook had ze haar best gedaan, door een zekere 78