uitvoerig, om hem te toonen dat ze wat hij zei heel ernstig opvatten wilde, maar ze voelde zelf, dat haar woorden ver״ ward klonken, omdat ze er haar volle aandacht niet bij had, omdat ze verstrikt was in de bekoring van het oogenblik, in de verliefde verteedering voor zichzelf, in de verteederde dankbaarheid voor den jongen, die haar zoo bewonderend aankeek en zoo eerbiedig luisterde —, en omdat ze er voortdurend en bewust op uit was hem met haar woorden nog meer bewondering in te boezemen.
De tentjes werden inmiddels een na een gesloten, de opgewonden verkoopstertjes drongen samen en roemden op heur buit.
״Eigenlijk moest ik daar nu ook bij wezen," glimlachte hij, ״ik ben namelijk zooveel als de penningmeester."
Maar hij ging niet en Ina boog zich weer zacht achteruit naar de palmbladen en liet die streelend door haar haren gaan. De menschenstroom dreef naar de andere zaal terug, ze zagen het zwijgend aan, Egbert en Ruyssenaers en Charley waren niet meer te zien. Ze wilde nu ook opstaan, maar hij hield haar terug.
״Toe, laten wij nu hier blijven en nog wat praten. Niet dadelijk tusschen al die menschen." Ze glimlachte en gaf zich gewonnen en voelde zich een kind dat den schoolmeester is ontsnapt, met diezelfde heimelijke angst en schuldbesef. Ze had zoo graag den jongen volop reden tot zijn voorkeur gegeven, ze wilde hem zoo graag ook beloonen, ze had geestige en bijzondere dingen willen zeggen, maar in haar zenuwachtige onrust vond ze wel heel veel, maar onsamenhangende, onbeteekenende woorden. In de andere zaal — de deuren waren opengebleven — zetten de violen nu zacht de ״Nachtmuziek" in, een schok voer haar door de ziel, de lach trok weg van haar gezicht, ze sloot de oogen —, een zoete bedroefdheid streek over haar heen, al het andere uit haar wegvagend, tot er niets bleef dan een dorst als naar rust en koel water en zomerboomen ruischend in avondwind —, een eindeloos berouw en een eindeloos verlangen. Ze opende even de oogen en keek naar den jongen en zag dat hij doelloos en leeg rondkeek in de verlaten zaal —, hij was een vreemde, wat moest ze met hem, wat recht had hij op haar vertrouwelijkheid? O, waarom kon ze niét liever alleenzijn? Ze wilde het, ze zou het, ze moest het —, maar mèt dat de violen zwegen, viel alles weer van haar af —, liet haar verward en verlangend en ze ging niet weg, doch bleef en haakte alweer naar zijn bewonderenden blik en naar zijn vleierijen.
72