״belachelijk" vinden. Ineens schrok ze, haar hart scheen in één heftigen slag al het bloed uit haar leden weg naar zich toe te trekken, het jonge vrouwtje had haar blik opgevangen, keek naar haar en fluisterde met haar man , ineens vuurrood geworden, sloeg ze de oogen neer, ze had zitten kijken als een hongerig kind. Zonder opzien voelde ze hen naderbij komen en even later hoorde ze vlak-bij haar stem.
„U kent mij toch nog wel van vroeger bij Geerte, meneer De Kruijff.... mag ik eens kennismaken met uw vrouw ?"
Haastig rezen ze op en Ina zag dat Egbert nu toch wel gevleid was, omdat de man met „zijn positie en zijn leeftijd" het eerst naar hem was gekomen. Ze drukten elkaar de hand.
„U zit hier zoo stijf," berispte het vrouwtje op den over-moedigen toon van een verwend kind, „en ik weet׳ zeker dat uw vrouw veel liever wat zóu willen meedoen."
„Ze moet straks voorlezen," zei Egbert vaag glimlachend.
„Maar dat is toch geen reden om niet even rond te kijken."
„We zaten eigenlijk net," weerlegde hij nog eens, wendde zich toen naar den man, „vindt u er eigenlijk wel erg veel aan?" met een lachje van mannelijke verstandhouding, dat onbewust „de vrouwen" bedoelde uit te sluiten.
„Het is nogal genoeglijk," vond Ruyssenaexs, „en Charley is op haar tijd gelukkig nog kind genoeg om het heerlijk te vinden. Vooral als ze al haar vriendjes hier vindt, om haar het hof te maken. Dat is de helft van de vreugde, nietwaar ?"
„Driekwart," verbeterde Charley lachend, toen stak ze plotseling haar arm door dien van Ina, „kom, we laten de mannen even samen hier en we gaan er van door." Ina voelde zich warm en vol van dankbaarheid, ze knikte in het heengaan Egbert nog eens toe — hij had nu óók gezelschap en behoefde zich niet verlaten te voelen — en hij lachte terug —׳, als tegen een kind. Het prikkelde haar even —, zóó keek Charley's man niet naar haar. Maar ze vergat het dadelijk, Charley's hand lag zoo warm op haar arm, haar oogen straalden zoo donker, zoo groot en zoo vrij —, ze bewoog zich met een volkomen kalmte en een volkomen gemak. En elkeen kende haar, en alle mannen schenen op haar verliefd. Hoe kon het ook anders ? Onder het spreken vergeleek Ina haar met de meisjes en vrouwen, die ze had gekend —, met Mary en haar vriendinnen, vol zotten eigendunk, botte geleerdheid en dorre deugd —, met Annie, harteloos pralend in haar kille schoonheid, met Coba, opgeblazen van boekenwijsheid, wantrouwig en zuur, met Gerda, die wel lief was, maar zoo kleurloos en bleek, met Coba's
70