eens verder naar hen vragen, en vooral niet van haar fantasieën uit dien eenen vluchtigen aanblik gewagen.
״Is ze aardig, Egbert 7"
״Wie?"
״Dat vrouwtje van zooeven."
״O, die. Ik weet het waarachtig niet. Naar wat je hoort nogal een vreemdsoortig vrouwmensch, zoo iets als de kruising van een flirt en een blauwkous."
Zij bleef ze gretig volgen met haar blik. Nu stonden ze stil en kochten iets —, nu gingen ze weer verder —, en telkens werden ze staande gehouden door jongelui, met wie ze dan even lachten en praatten —, soms waren ze onzichtbaar temidden van een heele groep.
״Ze schijnen zich nogal te vermaken," trachtte Ina onverschillig te zeggen, maar haar mond vertrok even, als proefde ze iets wrangs.
״Hij is hier natuurlijk om haar," veronderstelde Egbert, ״zoo iets als dit hier lijkt me toch niets voor iemand van zijn leeftijd en positie."
Ina antwoordde niet, ze schokte haast onbewust nerveus even met de schouders. Het paar stond nu weer vlak bij, ze keek zonder het te weten in gespannen aandacht toe: hij had een klein takje bloemen in de hand en stak het haar, terwijl haar oogen tintelend naar hem opzagen, tusschen de donkere haren. Ze zag zijn vingers teeder en verliefd zich bewegen door de dichte lokken —, een zachte rilling trok haar over het hoofd, een oogenblik was het, als voelde ze die teedere liefkoozende vingers in haar eigen haren, zóó sterk was haar aandacht erop gespannen, haar onbewust verlangen erheen gericht. Nu dwong hij haar schertsend zichzelf in den spiegel toe te lachen es te huldigen en over haar schouder gebogen lachte hij mee. Ina kon er haar oogen niet van afhouden —, een vreemd gevoel maakte zich van haar meester, benijding zonder bitterheid, doch ook onvree en een eindeloos verlangen —, haar gedachten waren, zonder dat ze wist langs welken weg, teruggegaan naar den avond, dat ze Eriks beleedigenden brief ontving en naar haar gesprek met Egbert, ze voelde ineens het armhartige en vale van wat ze zich toen als logisch en redelijk had laten opdringen. Er waren betere mogelijkheden —׳ ze voelde het nu wel, — liet iemand maar eens de hand uitsteken naar dat jonge vrouwtje, haar een oneerbiedig woord zeggen, een beleedigenden blik toewerpen —, hij zou haar weten te verdedigen, ondanks zijn ״leeftijd en positie" en niemand zou hem
69