te praten, bij wie de schuld lag ■—■, en ik voor mij zal jou nu geen verwijten meer doen."
Ze klemde de lippen opeen —, er begon iets in haar aan te glimmen —, ergernis om dien ouden, laffen, onedelmoedigen toon, den waarheidschuwen toon van zijn gesprekken, die haar zoo radeloos en helsch driftig had gemaakt vroeger, dat kalme kleurlooze, „we zullen er nu niet meer over praten" waarin hij toch haar allen schuld toeschoof —, en geen woord over zijn eigen tekorten, over haar leegten en nooden en haar gemis. Hij voelde zich nu rechthebbende —, wat hij haar deed, meende hij, had zij hem dubbel-en-dwars gedaan. Haar liet hij het kind —, maar zij zou het hem immers niet onthouden? Ze behoefden toch ook geen vijanden te zijn, — en Nesje begeerde dat ook niet, zij was ook een „verstandig" meisje, zij zou het wel natuurlijk vinden dat zij beiden elkaar bleven zien en met elkaar bleven overleggen in het belang van hun kind.
Neen —, ze verlangde ook niet in vijandschap met hem te leven, ze zou eerlijk en grootmoedig met hem handelen ten opzichte van het kind, geen valsche munt slaan uit haar positie van „verlaten echtgenoote", uit zijn erkend en bewezen „overspel" —, maar wel gaf zij er zich met bitterheid rekenschap van, dat hij nu weer — precies als vóór hun huwelijk .— een beroep deed op verlichte begrippen, op moderne opvattingen, nadat hij haar al de jaren van hun trouwen de bekrompenste huwelijks-dogmatiek had trachten op te dwingen, omdat zijn mannelijke gemakzucht en aanmatiging zich daarbij het best bevonden. „Dat gedonder met dien jongen moet uit zijn" —׳, „hier in mijn huis" —, „ik wensch niet belachelijk te worden gemaakt" —, als uit diepten kwamen de kwetsende, smadelijke woorden in haar op, die haar vrijheid hadden gedeukt, haar hoogheid gekrenkt. Nooit had hij zich in oprechte woorden over zijn opvatting van het huwelijk, van hun huwelijk, uitgesproken, zoo vaak zij erop aangedrongen had, dat hij hun rechten, de zijne en de hare omschrijven zou, altijd had hij zich met achteloozen schimp aan dat „idiote, nuttelooze theoretiseeren" onttrokken —, in elk conflict was zijn houding het lukraak resultaat van zelfoverschatting, gemakzucht en kleinburgerlijke beduchtheid om opspraak, nimmer van een beginsel of overtuiging geweest —, daaraan en aan niets anders was zij opgeofferd, soms met vlagen van goedgunstigheid of toegeeflijkheid. En nu —, nu behoorde zij plotseling weer „modern", verlicht, onbevooroordeeld tegenover huwelijk en scheiding te staan.
.253