omdat zijn verliefdheid toch een troost was in sommige uren ׳—• maar nu hij zélf het had gezegd, nu zou zij het onherroepelijk maken, er zich aan vastklampen, er hem ten volle aansprakelijk voor stellen.
Hij was weer gaan zitten, weeker, onderworpener, naarmate haar blik harder en vaster op hem gericht bleef.
Ze zag het, maar ze gaf geen kamp.
״Nee Rudolf," zei ze en laafde zich aan den standvastigen klank van haar eigen stem, ״ik geloof, dat je veel verstandiger doet, als je nu werkelijk weggaat ein niet terugkomt. En vraag Lettie hetzelfde. Jij hoort bij haar, maar je hoort niet bij mij. Je kent mij niet, je, hebt mij nooit gekend, ik heb mij
altijd vreemd bij je gevoeld----- het is een vergissing van
mij geweest en misschien ook een vergissing van jou Ze voelde dat ze op dien toon moest voortgaan, dat ze hem moest prikkelen, krenken in zijn jongenstrots, tot hij uit balloorigheid zelf wegging en vergat zich er rekenschap van te geven, en er zich tegen te verzetten dat hij werd weggestuurd —, het lukte volkomen.
״Goed," zei hij verbeten, ״ik zal je mijn gezelschap niet langer opdringen. En ik kan mij overal beter amuseeren dan hier, als je dat maar weet."
Ze glimlachte onwillekeurig om den toon ׳—, hij had nu ook eens iets heel ergs en brutaals gezegd!
Hij ging heen en het werd doodstil in huis —, de woorden, die hij het laatst gezegd had klonken in haar na, maar wekten geen glimlach meer in haar op. Ze gaf er zich rekenschap van; dit was het einde van haar laatsten droom, van haar jongste illusie. Nu was ze weer alleen. Ze zonk in haar stoel —, ze voelde zich moe, haar oogen staarden met een heeten, leegen blik —, en langzaam aan begon ze zich volledig rekenschap te geven van den toestand, van alles wat er vandaag was gebeurd — een snijdende kou trok haar over het hart, nu ze aan Charley en Hugo dacht. Ze waren voor haar verloren —, dat zij ze niet meer zou zien, nooit weten hoe ze nu, na alles, over haar dachten, was nog de beste troost. En Rudolf was weg en Lettie wilde ze niet weer zien ׳— hoe zou het nu verder gaan?
Nog weer stegen visioenen uit het verleden óp —, ze ״ hervoelde haar heele oude bestaan, uit haar meisjesjaren de hoopvolle heerlijkheid van dien eersten tijd met Egbert, haar verwachtingen en haar ontvankelijkheid. Als een windharp was haar ziel geweest, door elke ademtocht, kleur, gerucht, reuk, sidderend bewogen —, haar hart een wijde wereld vol
.250