plotseling uit. ״Broertje en zusje of oude luitjes met de zilveren bruiloft achter den rug."
״Ik ben wat moe, vandaag," verontschuldigde Ina zich.
״Juist vandaag!" zei hij ontevreden, „Juist nu we eens hier echt alleen zijn. Ik had gedacht, dat je het heerlijk zou vinden, dat je opgewekt zou zijn en nu zit je daar en zegt geen woord en luistert nauwelijks naar wat ik je zeg."
„Maar ik ben toch je gezelschapsdame niet, beste jongen. Ik kan toch niet als een hondje opzitten en pootjes geven. Als ik mij moe voel, dan moet je mij niet lastig vallen."
„Dat wil ik ook niet. Ik weet heel goed hoe ik met vrouwen moet omgaan, hoor! Maar het is niet om vandaag —, het is om alle dagen ׳—, je houdt mij maar aan den praat al weken, al maanden,. .— nadat je eerst zelf . . ."
„Jawel, ik weet het wel," brak Ina snel af, vuurrood „je hoeft het mij niet te zeggen. Ik heb je „aangehaald" nietwaar — of, als je het fatsoenlijker wil uitdrukken, ik heb je hoop gegeven. Maar ik heb je ook gezegd, hoe ik mij de verhouding voorstelde. Vriendschap zooals de vriendschap tusschen een man en vrouw nu eenmaal is, vriendschap met nog iets meer, iets warmers. Je was er tevreden mee, je was er blij mee —, je zei, dat je ook genoeg had van al die gemakkelijke meisjes — dat je ook allang naar iets beters en hoogérs had verlangd. Je zou niet meer vragen dan ik geven kon .—, en toch, toch zeg je dingen, vraag je dingen, doe je dingen, die ik niet wil, die ik afschuwelijk vind — terwijl je mij het tegendeel had beloofd."
„Ik kon niet weten, dat jij zoo onnoozel zou zijn. Natuurlijk beginnen de meeste vrouwen ׳— ik meen, als ze getrouwd zijn en ontwikkeld en zoo — met van vriendschap te spreken. Dat vind ik juist wel aardig, ik heb allang genoeg van die andere soort. Maar zooals jij dien middag op dat concert in de pauze bij mij kwam —, en zooals je mij dien avond, een paar weken later, aankeek in dat café —, toen je daar zat met je man en ik aan een tafeltje verderop —, dat was héél duidelijk, dat kan ik je verzekeren, daar is maar één verklaring voor. Ik zal je maar niet eens oververtellen wat die vriend van me — dat kleine tengere mannetje, die bij mij zat ■— van je zei, toen je tweemaal naar mij keek."
„En wat antwoordde jij?" vroeg Ina heesch, met een felle kleur.
„Ik? Wat moest ik antwoorden? Hij zei geen kwaad —, hij zei alleen iets van je oogen."
„Ik verveelde me zoo gruwelijk —, en alle menschen keken
.247